Naar het Fransch van
Dr. A. Hagen.
Officier van Gezondheid.

Gezicht in Nouméa.
De ontwikkeling van de kolonisatie op het fransche eiland Nieuw-Caledonië heeft er sinds lang den invoer noodzakelijk gemaaktvan vreemde arbeiders. De exploitatie der nikkelmijnen, de verbouw van koffie, tabak en maïs dwingen den europeeschen kolonist,gebruik te maken van werkkrachten uit Oceanië.
De reeders uit Nouméa, de hoofdstad van Nieuw-Caledonië rustten dus vaak schepen uit, die naar de Nieuwe Hebriden en de Salomonseilandengingen, om inboorlingen mee terug te brengen, voor zwaren arbeid geschikt. Ongelukkig hadden er daarbij misbruiken plaats;er werd met geweld opgetreden tegen weerspannige Kanaken, die niet gezind waren, hun geboorteland te verlaten en het dolcefar niente op te geven, waaraan ze bij zich te huis waren gewend.
Het werd noodig, orde te stellen op die handelingen van zoogenaamde recruteering. Ik vervulde toen mijn kolonialen diensttijdop Nieuw-Caledonië. De heer Pardon, gouverneur der kolonie, wilde mij wel het toezicht op de genoemde emigratie toevertrouwenen benoemde mij tot regeeringscommissaris aan boord van de Lady Saint Aubyn en de Mary Anderson. Zoo heb ik verschillende reizen door den Stillen Oceaan gedaan en won daarbij allerlei inlichtingen in over de verschillendeeilanden, die samen vormen de eilandengroepen der Nieuwe Hebriden en der Salomonseilanden.
Den 4en April 1891 ging ik aan boord van de Lady Saint Aubyn, een zeilschip van 150 ton.
Wij vertrokken op een reis van vele maanden naar weinig bekende landen, die zeer belangwekkend waren, en waarvan de bewonersnog boosaardige, woeste menscheneters heetten, die een zekere beruchtheid hadden gekregen door veel aanvallen op Europeanen.Maar dat zijn gevaren, waaraan men pas gaat denken op den dag, als ze zich juist voordoen; op het oogenblik van ons vertrekkenden we geen andere zorg dan de richting van den wind, want ons scheepje was niet voor stoom ingericht en onze grootstevijand was de tegenwind.
Wat dreigementen van de inboorlingen betreft, daartegen waren wij genoegzaam gewapend; de 200 geweren en 3000 patronen, diede Lady Saint Aubyn meevoerde, zouden ons in staat stellen, het antwoord niet schuldig te blijven, als wij werden aangevallen, en ons leven duurte verkoopen.
Zoodra we uit de haven van Nouméa waren, voeren we vlug voorbij het eilandje Porc-Epic, dat wel zijn naam van Stekelvarkeneilandverdient om de vele Bladzijde 234pijnboomen, waarmee het bezet is en zetten onzen tocht voort langs het Zuiden der westkust van Nieuw-Caledonië. Er was daarniet veel plantengroei, en het aantal bewoners was gering sedert den opstand van 1878; maar deze kust bezit veel mineralerijkdommen, want nikkel en kobalt vindt men er in groote hoeveelheid, en van het dek van ons schip konden wij sporen ontdekkenvan oude en van nieuwe ontginningen.
Enkele inboorlingen voeren op zee rond, vroegen ons, waarheen wij gingen en wenschten ons goede reis. Zij kwamen van het Pijneilandmet hun dubbele prauwen en waren op weg naar den zendingspost Saint-Louis, waar ze de mis zouden hooren. Vroeger was altijdde piloe-piloe met de gruwelijkste tooneelen van kannibalisme de reden van hunne bijeenkomsten en gaf aan hun feeste